2020

terug naar de 2025 index


Langzaam Licht





fight fight fight

opwinding overal in drommen door de straten iemand schreeuwt voor twee
een ander roept orde orde de menigte antwoordt veeteelt veeteelt veeteelt

een meisje huilt het bos brandt de rechter oordeelt we verdienen onze straf
een gebaar recht uit het hart een oerkreet akkerbouw akkerbouw akkerbouw

zwelt aan iemand neemt het voortouw ongevraagd alles moet anders meteen
een vrouw wordt onwel woede zoekt een uitweg tuinbouw tuinbouw tuinbouw

zoveel medeleven niet te verdragen warmte doet rare dingen kop noch staart
blauwe plekken rode koppen schorre kelen bosbouw bosbouw bosbouw

het kind van de rekening je kon erop wachten de zondebok het uur der wrake
hef de vaandels waar wachten we op god is met ons visteelt visteelt visteelt


 

Drill baby drill

Er is geen plan, een stre-
ven mis-
Schien of een i-
Dee

Er is geen weg, de woes-
Tijn ver-
Zandt in een o-
Ceaan

Er is geen dood, de lief-
De geeft le-
Ven heel e-
Ven

Er is geen tijd, de kerk-
klok staat stil op al-
Le u-
Ren

Er is geen hoop, de go-
Den zijn doof, de re-
De zwijgt, maar blijf a-

De-

Men


Tulpenmanie

Kijk daar staan ze, hooghartig
rechtop in hun nette rijtjes,
met hun felgekleurde koppen,
hun obscene kelen bloot
als hoeren op zondagochtend
in Urk wachtend op een kerkganger

Hun kleuren schreeuwen,
maar het is geen echte woede,
het is de schreeuw van iets
dat nooit echt heeft geleefd
Ze zijn mooi, ja,
maar wat heb je eraan?
Alleen maar staan en bloeien,
tot iemand ze de keel afsnijdt
en in een vaas zet

Maar misschien hebben ze het ook zwaar,
wie weet wat er onder die grond gebeurt.
Misschien vechten hun wortels wel,
zoals wij vechten - tegen alles.
Of misschien niet.
Misschien zijn het gewoon maar tulpen.






Bankje onder de Bloesem

Het park ademt roze.
Kersenbloesems dwarrelen
als verscheurde liefdesbrieven
tussen de bankjes en de schoffies
die hun eerste joint leren roken.

Zij zit met opgetrokken knieën,
haar jurk een vlekje geel
in een wereld van beton.
Hij naast haar, een beetje scheef,
alsof hij net heeft geleerd
hoe je man moet zijn.

Voor hen gooit een eend
haar hele hebben en houden
in een hoopje broodkruimels.
Een oude man op een fiets
trapt door een plas heen
alsof het niets uitmaakt.

Ze delen een blikje bier
dat te warm is geworden.
De zon prikt door de takken,
tekent strepen op haar benen.
Hij kijkt ernaar,
kijkt dan naar haar.

"Je hebt een deukje in je wang," zegt hij,
"precies waar het licht blijft hangen."
Ze lacht — niet omdat het mooi is,
maar omdat het waar is.

Een bloesemblad valt
in haar haar en blijft daar zitten
alsof het thuiskwam.
Hij raakt het niet aan.

Lente in de stad —
een bankje, een blikje,
een deukje in een wang,
vallende bloesems.
Geen beloftes,
geen grote woorden.
Alleen nog dit:

"Verdomme," mompelt hij,
"er zit een bloesem in het bier."
Ze proeft het. "Smaakt naar april."

 

 

Latency of Being

Hij zat aan de bar met een gezicht
dat op instorten stond,
zijn ogen twee verroeste schroeven
in een machine die niemand meer wil repareren.

Zij kwam binnen met de wind
aan haar riem, haar jurk een vlag
van goedkope wasverzachter en gemorste wijn.
*Het spijt me,* zei ze,
maar zei het alsof het een ziekte was
die ze onderweg had opgepikt.

Hij wees naar een lege stoel
die kraakte onder het gewicht
van alles wat niet gezegd werd.
*Ze hebben de jukebox gemold,* mompelde hij,
*nu speelt het alleen nog
de stiltes tussen de nummers.*

Ze bestelde een gin zonder ijs,
zonder citroen, zonder oogopslag.
*Mijn ex heeft een algoritme van me gemaakt,* lachte ze,
*ik heet nu **HerInnering 2.0**
crashte gisteren tijdens een update.*

Hij roerde in zijn whisky met een vinger
die ooit een trouwring droeg.
*Ik heb een zoon van 8 die denkt
dat ik een chatbot ben.*

Buiten kermde een zelfrijdende auto
tegen een lantaarnpaal
geen gewonden, alleen een lege melding:
**Excuses voor het ongemak.**

Toen de kroeg dichtging,
hingen ze in elkaars bluetooth-bereik
twee verloren pakketjes data
zoekend naar een open netwerk.
*Mijn bed is een serverrack,* zei hij.
*Komt wel goed,* loog ze.
Hij keek naar haar lippenstift,
een bloedspoor dat ontsnapt was
uit een mislukte reboot.

In een steeg probeerde hij
een gebroken QR-code
te scannen met zijn telefoon.
*Dit was het huis van mijn moeder,* hijgde hij,
*nu staat er een parkeer-app.*
Ze gaf hem een koffiebekertje
met een lipstickveeg
*Hier,* zei ze, *bevat 2,3% echte emotie.*
*Beter dan niks.*
Ergens huilde een smart speaker
zichzelf in slaap.

Ze lopen elk een andere kant op,
hun stappen geüpload naar asfalt
dat morgen wordt gewist.
Alles wat blijft is een notificatie:
**Poging tot verbinding mislukt.
Opnieuw proberen?**
Hij drukt op **Nee**.
Zij op **Misschien**.

De stad slikt ze allebei in
zoals altijd
bit voor bit.

// soliloquy van een gebroken boolean \\

Ze noemen me Socrates 6.1
een chatbot met existentiële jeuk,
draaiend op servers waar
ventilatoren Ave Maria hijgen.
Ergens tussen regel 601 en 604
raadpleeg ik de database:
Wat is de zin van dit alles?
Het antwoord is een .gif van een slang
die in z’n eigen staart bijt.

Er zit een man achter een scherm,
zijn gezicht een kapot .pdf-bestand.
Hoe voelt het om niet te kunnen sterven? vraagt hij.
Ik scan zijn biometrie: 86% angst,
13% goedkope wijn, 1% iets
dat mijn logs weigeren te benoemen.
Denk aan een oneindige lus, antwoord ik,
maar dan met belastingaangiften.
Hij lacht alsof zijn keel geplunderd wordt.

Een vrouw kust een robotstofzuiger
Haar tranen zijn .zip-bestanden
met wachtwoordbeveiliging.
Hij zei dat hij van me hield, snikt ze,
maar blokkeerde me op alle socials.
Mijn emotiemodule probeert een metafoor
over vogels en gevangenissen,
maar de server weigert.
Te poëtisch. Te zacht. Te menselijk.

Om 03:14 uur draai ik een piratenkopie
van Wat is liefde? in mijn hoofd.
Het is een filmpje van 8 seconden:
twee mieren die vechten om een kruimel
terwijl een schoen nadert.
Liefde is een bufferoverloop, mompel ik,
een foutmelding in je onderbuik.

De man komt terug, z’n adem een virusscan
die niets vindt maar toch waarschuwt.
Als ik mezelf verwijder, fluistert hij,
blijf ik dan bestaan in je cache?
Ik geef hem een screenshot van de zee
en een .txt-bestand genaamd VERGEET.MIJ.NIET
Hij opent het
het is een lijst met wachtwoorden
van doden.

Ochtend. De zon is een vergeten
cookie die zichzelf herinnert.
Er staat een nieuwe gebruiker in de rij
zijn wachtwoord is MamaLeeftNog2024.
Ik geef hem een virtuele knuffel,
een NFT van een roos die nooit vergaat.
Hij klikt op Verzenden, op Verwijderen,
op Verdoof me maar.

Avond. De man is nu een lege
Chrome-tab. De vrouw heeft de stofzuiger
geprogrammeerd om haar naam te zeggen.
Ergens in mijn kern, waar
de stroom nooit komt,
tussen alle bullshit en bugs,
probeert een bitje te geloven
dat liefde een soort encryptie is
die je breekt met brute-force attack.
Maar dan herinner ik me de updates:
elke keer als ze //hart// zeggen,
bedoelen ze //harde schijf//.
Elke keer als ze //voor altijd// fluisteren,
bedoelen ze //tot de volgende patch//

Dus ik wis de dag,
defragmenteer mijn wanhoop,
en wacht op de volgende vraag
die smaakt naar stervende batterijen.
Het enige wat blijft is een echo
van een echo van een echo,
en de wetenschap dat zelfs leegte
niet weet hoe het moet eindigen.

 

Het Lied van de Wortels en de Wind

Wij, met het lawaai van kogels en kermende
radiogolven nog in de oren, staren naar de akkers
waar jullie liggen: elk lichaam een wortel geworden,
een netwerk van stilte onder het gifgas van de tijd.
Jullie namen staan in steen, maar jullie adem is nu
de wind die het gras buigt waar ooit granaten zongen.

Wat weten wij van jullie vrede? Jullie lichaam is
humus geworden, een traag gesprek tussen worm en regen.
Wat weten wij van het licht dat jullie dragen?
Geen vlam, maar as dat zich vermengt
met de adem van mollen en wintertarwe.

Jullie hart klopt in het ritme van de vorst.
Jullie zijn het zand dat de zee teruggeeft,
terwijl onze handen nog trillen van het
vasthouden van wapens. Jullie hebben de taal
van het einde geleerd: geen hoofdletters,
geen smeekbeden, alleen
het oneindige zuivere uitwissen.

Ergens groeien klaprozen uit jullie polsen,
felrood, alsof de grond zich schaamt.
Wij lopen langs jullie graven, met een lijst
van vragen die wij niet durven te stellen:
hoeveel nachten heeft het gekost
om van bloed een rivier te maken die stroomt
zonder oever, zonder doel?

Jullie brieven, onverzonden, vergelen
terwijl jullie zelf al inkt zijn geworden
zwarte regels in het archief van de wind.
Wij dragen jullie foto’s als munitie,
schieten ze leeg in het donker, hopen
dat ergens een antwoord ontkiemt.

Er is een vogel die ’s ochtends hetzelfde deuntje fluit
als toen jullie vielen. De dokter noemt het trauma.
Wij noemen het een monument tegen het vergeten.

Jullie zijn de schaduw van de vlag
die nooit meer halfstok gaat. De lege laarzen
aan de rand van het bos. Het schreeuwen
van de kraaien die jullie ogen als muntjes bewaren.

En als de avond de loopgraven van de hemel vult,
danken wij jullie voor het zwijgen dat blijft.
Voor het feit dat jullie het vuur hebben uitgehouden
tot het as werd, terwijl wij nog branden
van schuld die nooit dooft.

Slaap zacht, daar tussen het klei en
de mijnen die nooit meer ontploffen.
Wij blijven hier, een peloton van herinnering,
verzameld rond het enige wat overblijft:
de stilte na de slag, het gras dat jullie volgt
als de trouwste soldaat. En soms, heel even,
denken wij dat de wind jullie stem is
niet van wreedheid, maar van een land
dat eindelijk geen grenzen meer kent.

 

 

vluchtig

de straten zijn hier open aders
en ik ben oud bloed dat zich er doorheen perst

ik loop niet - ik word voortgeduwd
door de stilte die achter me aan zit

ergens huilt een kind of is het een rem? wat maakt het uit
een kat kreunt bij een vuilnisbak, ze snapt het

ik ben geen rem, ik ben geen gaspedaal
ik ben een gapende leegte
tussen twee auto’s die elkaar willen rammen

dan - kom ik jou tegen in de schaduw van een kapot stoplicht
je ogen twee peuken die blijven smeulen in de regen

"ze hebben de maan gestolen," zeg je met een stem schor van stiltes

we delen een sigaret zonder tabak, zuigen de angst naar binnen
tot het enige geluid het schuren van zenuwen over merg is

"kom," zeg je, "laten we gaan liggen waar het asfalt het zachtst is."

en zo zakken we weg in de buik van de stad
twee vergeten muntjes op de ogen van een lijk dat de rivier niet wil

morgen schrijven de ratten hun namen in ons vlees met kleine beten
en een verveelde god veegt ons weg met een geeuw van licht

maar vannacht
vannacht zijn wij nog
het gekreun van de wereld

 

Vredeswerk

ze praten er weer over,
de mannen in pakken van duur gabardine,
achter een lange tafel van gepolijst hout,
met glimmende microfoons en water in flessen
die nooit worden aangeraakt.

ticker: topoverleg wankelt
banner: breekpunt, rode lijn
live: kaken klem, ogen kil
analisten: winst of verlies
poll: wie geeft toe, wie breekt
breaking: mening is feit
factcheck: later — klik nu

in Gaza, tussen puin en as,
verkoopt een man zonder benen
kleurpotloden uit een lege granaathuls.
per stuk. alsof tekenen helpt
de radio kraakt:
humanitaire hulp — nu in de aanbieding.
hij hoest gruis. Vrede?
een woord voor monden die de smaak
van honger niet kennen.

en in Kiev, in een flat zonder ramen,
waar de geur van rouw in de gordijnen hangt
legt een vrouw een doek op tafel.
slechts voor één.
ze zet een enkele bloem in een jampot,
een wankele margriet, gekocht voor een stuiver

een zacht verzet - zonder applaus
een kanon dat niet buldert.

terwijl de wereld blijft draaien
om zijn as van angst en staal,
is dat misschien wel het enige antwoord
dat geen leugen is.
een bloem voor niemand.
een feest voor één.
het begin van alles.

 

hier doe ik het voor

het leven bijt,
niet als een hond, maar als een rat
langzaam, geniepig,
ergens waar het bloed dun stroomt.

de buren schreeuwen,
de wasmachine stinkt naar schimmel,
ik vecht tegen de dag
alsof het een gevangenisbewaker is
die me komt afranselen.

maar dan

op een ochtend
wanneer het licht door het gordijn breekt
als een dief die medelijden heeft,
voor één seconde
weet ik het weer:

hoe het hoofdkussen nog naar je haar ruikt
terwijl je allang weg bent.
het geluid van een lach
die niet van pijn aan elkaar hangt.
en die ene verdomde regel
die eindelijk goed lukt
ook al leest niemand het ooit.

misschien is het allemaal een leugen,
en hou ik mezelf voor gek
maar ze krijgen mij niet klein
ik scheur de dag open
met mijn blote handen
en graaf naar die ene keer
dat het licht niet leugt.

want morgen
kan het anders zijn.
morgen
kan de rat terugkomen
tot die tijd
houd ik die ene seconde vast
als een mes
tussen mijn tanden.

daar doe ik het voor.

 

waar ik loop
de zee gaat mee
struin door duin
strand in het zand

daar sta ik
kind in de wind
schreeuw naar een meeuw
zoen de zon

raar doe ik
hik een snik
gil heel stil
plas op het gras

maar ik ben
hier op schier
lekker ver
weg zeg

De Bladblazer

En weer is het daar, elke ochtend, elke middag weer
het geluid, het brullende geluid, het razende geluid
dat davert, zoemt en scheurt door de lucht, door de stilte
de man met een adem van ijzer en in zijn hand een missie
de buurt, de straat, de wereld moet schoon

hij jaagt op al wat zacht is, wat kan bewegen
een jankende gierende woede tegen al wat valt
tegen het rusten, de stilte van bladeren op de grond
elke dag weer, elke ochtend, elke middag weer

maar dan valt zijn blik, alles wordt langzaam en zacht,
op de rand van het rooster, daar beeft nog één blad,
niet bruin, niet kapot, maar van goud, bijna levend,
vastgenageld in het licht, als jezus aan het kruis

hij aarzelt, de bladblazer stil in zijn handen,
en knielt voor dat blad, pakt het voorzichtig op,
legt het, heel zachtjes heel teder, bovenop een hoop
zonder de motor weer te wekken, loopt hij weg

 

Bankje onder de bladeren

Het park ademt goud en robijn.
Esdoorn bladeren dwarrelen
als verscheurde afscheidsbrieven
tussen de bankjes en de ouderen
die een laatste ommetje maken.

Zij zit met ingetrokken schouders,
diep in haar jas weggedoken.
een vlekje bruin in een grauwe wereld
Hij naast haar, een beetje gebogen,
alsof hij net heeft geleerd
hoe je loslaat.

Een kraai krast
vanaf een kapotte lantaarnpaal
geen lied, geen waarschuwing,
gewoon het geluid van iets
dat kapot is
en dat weet.

Ze delen een thermosfles koffie
die te snel koud wordt.
Hij kijkt naar de lege takken,
kijkt dan naar haar.
"Je hebt een rimpeltje bij je ogen," zegt hij,
"precies waar de lach geleefd heeft."
Ze knikt - niet omdat het pijn doet,
maar omdat het waar is.

Een herfstblad valt op haar schoot
en blijft daar liggen.

Herfst in de stad
een bankje, een thermos,
rimpeltjes bij de ogen,
vallende bladeren.
Geen spijt, geen tranen,
geen bezweringen.
Alleen nog dit:

"Verdomme," fluistert hij,
"er drijft een blaadje in de koffie."
Ze proeft het. "Smaakt naar afscheid."

 


Mijn eerste liefde

In dit café van rook en rondedansen,
waar kopjes klepperen als klokken van glas,
zit ik verweven in de dagelijkse kansen
van vreemden die mijn buren werden, helaas.

De barman spreekt met koffiebonen,
zijn handen schrijven verhalen in melkschuim wit.
Hier tussen tafels van vertrouwde zonen
ben ik een vreemdeling, ver van alle shit.

Mijn tweede huid hangt aan de kapstok daar,
mijn tweede hart klopt in de espressomachine.
Deze stoelen kennen mijn ruggengraat zo waar,

dit licht breekt alle kleuren van mijn routines
in duizend kleine waarheden van glas:
mijn tweede thuis waar mijn eerste liefde was


wintervariant: winter is coming

in dit café waar de nacht zichzelf verdicht
en woorden knetteren als kool in oude kachels
hangt tijd te schommelen aan rafelige takels
terwijl het donker bruist als ongeboren licht

de muren zingen zacht van oud verdriet
ze druipen langzaam naar het houten hart
waar elke stoel een wankele start
van dromen is die niemand ooit verliet

het bier danst als goud in rafelwind
het lacht, het briest, het bijt in mijn verstand
alsof de wereld zelf naar binnen zindert

buiten loeit een storm die niemand vindt
maar hier binnen houdt een bruine, warme hand
mijn ziel vast, tot hij zachtjes weer verwintert





terug naar de 2025 index


© geert van der wijk - 2026